Monthly Archives: februari 2011

De onmachtige woede van C19

Tragische geschiedenis van een Noors gevangeniseilandje

Vanaf de eerste scène is duidelijk dat het verhaal van The King of Devil’s Island een tragisch einde kent. De zeventienjarige harpoenier Erling herinnert zich de zware strijd met een walvis, die pas na drie voltreffers en een gevecht van een dag stierf. Erling is in deze film zonder twijfel de walvis. Hij wordt in 1915 naar een heropvoedingskamp op het Noorse eiland Bastøy gestuurd, waar kinderen worden onderworpen aan een Spartaans regime, en is vastberaden zo snel mogelijk te ontsnappen.

De plot valt het beste te omschrijven als een soms ijzingwekkend spannende mengeling van Papillon, If…, The Lord of the Flies, met hier en daar een vleugje Moby Dick. Maar verder is de film in ieder opzicht Scandinavisch. In onderkoelde blauwtinten toont regisseur Marius Holst de stugge weigering van Erling, consequent aangesproken als C19, zich gewonnen te geven, en de band die hij opbouwt met Olav, het hoofd van zijn afdeling die al zes jaar op het eiland vastzit. Deze C1 is aanvankelijk een modelgevangene die als verantwoordelijke zijn aankomende vrijlating in gevaar ziet komen, hij blijkt echter al snel een verwante ziel te zijn.

Het acteerwerk in de film is indrukwekkend. Dat Stellan Skarsgård (Insomnia, Dogville, Good Will Hunting) al jaren op een zeer hoog niveau speelt mag bekend zijn, bijna alle andere acteurs hadden echter geen enkele ervaring voordat ze aan deze film begonnen. Skarsgård geeft zijn rol, hij is de directeur van het instituut, genoeg ambiguïteit mee om de kijker te doen twijfelen aan zijn goed- of slechtheid. Hij is moreel rechtschapen en zijn opvattingen zijn redelijk vooruitstrevend, maar dat betekent niet dat de kinderen op het eiland niet lijden onder zijn strakke regime.

Benjamin Helstad imponeert het meest. Zijn Erling lekt uit al zijn poriën de onmachtige woede van iemand die tegen zijn zin, en misschien onrechtvaardig, wordt vastgehouden. De blik in zijn ogen doet denken aan die van een gekooid dier.

Enige zwakte van The King of Devil’s Island is de te weinig uitgewerkte subplot over seksueel misbruik op het eiland. Het is een clichématige toevoeging: de verstoorde machtsverhoudingen hadden subtieler geïllustreerd kunnen worden. Het slachtoffer is eendimensionaal en zijn zelfmoord te voorspelbaar. Daar tegenover staat echter dat de kijker verder geen moment weet wat op het punt staat te gebeuren.

“Bastøy is niets dan een kleine steen in het water” zegt iemand tegen het einde van de film. Maar wie bedenkt dat het eiland ook werkelijk tot 1970 een thuis bood aan een heropvoedingskamp, en dat ook het verhaal dat in deze film verteld wordt grotendeels op feiten berust, zal moeten toegeven dat dat voor velen die er vastgezeten hebben waarschijnlijk allesbehalve waar is.

The King of Devil’s Island (Kongen av Bastøy) Marius Holst (Noorwegen, 2010)

.

Leave a Comment

Filed under Recensies

Fotograaf Koen Wessing (69) overleden

Fotograaf Koen Wessing, die in de jaren zestig en zeventig naam maakte met indringende reportages uit crisisgebieden over de hele wereld, is gisteren op 69-jarige leeftijd overleden.

Wessing leerde het vak begin jaren zestig van Ed van der Elsken en Ata Kando, en zou zijn hele leven blijven werken in de traditie van de geëngageerde fotografie. Met grofkorrelige en zeer contrastrijke film en een Leica die het zichtbaar zwaar te verduren had, ging hij de werkelijkheid te lijf. Zijn werk is altijd uitgesproken politiek geweest. Wessing was niet bang partij te kiezen, altijd schaarde hij zich aan de zijde van diegenen die het moeilijk hadden: zwervers en onderdrukten. Het vastleggen van ‘de mens onder druk’ deed hij in alle uithoeken van de wereld: in Chili, na de coup in ‘73, Nicaragua, El Salvador, Afghanistan, Kosovo, Tibet, Zuid-Afrika, Roemenië, Albanië, de lijst is eindeloos.

De Franse filosoof en criticus Roland Barthes was een groot bewonderaar en nam Wessings werk op in zijn essay Camera Lucida. Barthes prijst in het essay de beelden van Wessing om hun vermogen vragen op te roepen, te laten voelen dat achter iedere foto een verhaal schuilt.

Henk Hofland zei in 2000 bij de opening van een overzichtstentoonstelling van het werk van Wessing in het Amsterdams Historisch Museum over zijn verslag van de burgeroorlog in Nicaragua : „Het zijn niet meer je hersens, het is je maag waarmee je de blindheid van het meedogenloze herkent.”

Elsbeth Etty schreef naar aanleiding van een kritische recensie over dezelfde tentoonstelling: „Wessing moet je vergelijken met Goya. Wie haalt het in zijn hoofd Goya’s Desastres de la Guerra primair te beschouwen als werk van een achterhaalde wereldverbeteraar, agitpropartiest of etsende zendeling? Wessings foto’s dwingen de kijker tot een moreel oordeel.”

Ook op gevorderde leeftijd bleef hij fotograferen. In het Amsterdamse Café de Zwart zat hij regelmatig, na wandeling, met een vergrootglas de krant te lezen, de onafscheidelijke 35mm camera gebutst en ingetapet om zijn schouder. Dit voorjaar opent in Santiago de Chile een tentoonstelling met zijn werk over de staatsgreep van Pinochet. Het was volgens Louis Zaal, directeur van het agentschap Hollands Hoogte, een vurige wens van Wessing dat zijn werk ooit in Chili te zien zou zijn.

.

Leave a Comment

Filed under Portretten

Dictator is een louter ceremoniële functie

Een zelfportret van Nicolae Ceauşescu

Andrei Ujica’s portret van de Roemeense dictator Nicolae Ceauşescu is een verbazingwekkend toegankelijke film, terwijl de aankondiging echt anders doet vermoeden: “Het ingetogen, radicale meesterwerk duurt ruim drie uur. Commentaar ontbreekt, net als muziek en de meest basale informatie (wie, wat, waar, wanneer).” Die toegankelijkheid schuilt vooral in de vrijheid die de toeschouwer krijgt: er worden geen dwingende of expliciete vragen gesteld.

Ujica’s film bestaat volledig uit archiefmateriaal. Voor de eerste vertoning op het IFFR vertelde de regisseur dat hij berekend had dat in totaal ongeveer negenduizend uur aan opnames gemaakt moest zijn. Hij had echter de beschikking gehad over zo’n duizend uur aan beeld, vrijwel uitsluitend gemaakt in opdracht van Ceauşescu. Dat laatste, mag worden aangenomen, zal ook de belangrijkste verklaring voor de titel van de film zijn.

De overbekende beelden van Ceauşescu en zijn vrouw Elena, ook in de film bijna altijd aan zijn zijde, vlak voor hun executie, vormen zowel de opening als het einde van de film. Op 22 december 1989 is Ceauşescu een compleet verwarde man die weigert een verklaring af te leggen voor het ad-hoc tribunaal in een spaarzaam ingerichte en treurigstemmende kamer: hij wil zich alleen verantwoorden tegenover de Nationale Vergadering. Na deze opening schakelt de film terug naar het prilste begin van Ceauşescu’s absolute bewind. We zien hem spreken na het overlijden van Gheorghe Gheorghiu-Dej, de communistische leider die de Sovjet-Unie zover kreeg Roemenië een voor het Oostblok unieke mate onafhankelijkheid te gunnen.

Wat volgt is een bijkans eindeloze reeks staatsbezoeken, inspecties van fabrieken en landbouwwerken, festiviteiten, optredens voor de Nationale Vergadering en onvoorstelbaar veel applaus. Communisme is een schuifelend gezelschap mannen in grijze pakken dat overal even hartelijk wordt ontvangen.

Ceauşescu komt in deze vroege beelden vooral naar voren als een charismatische leider die achter het IJzeren Gordijn een volledig eigenzinnige koers vaart. De rede waarin hij met grote bevlogenheid, na het neerslaan van de Praagse Lente, zijn solidariteit met Tsjecho-Slowakije uitspreekt is indrukwekkend. De stoet buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders die hem met een bezoek vereren of bij wie hij ontvangen wordt is al even imponerend: Richard Nixon, Mao Zedong, Jimmy Carter, Kim Il Sung en Leonid Breznjev. Niet in de film opgenomen zijn Ceauşescu’s ontmoetingen met Fidel Castro en Yasser Arafat. Roemenië was onder zijn bewind het enige land dat normale diplomatieke betrekkingen onderhield met zowel Israël als de PLO. Zoals het er ook in slaagde zowel Moskou als Peking te vriend te houden. Vreemdste ontmoeting is echter die met koningin Elizabeth II, terwijl ze samen in een koets door Londen rijden is op de achtergrond een bioscoop te zien. Boven de ingang staat in koeienletters ‘Deep Throat’. Een visueel grapje van de regisseur, zo vlak na de scènes met Nixon die druiven krijgt op een Roemeense markt, en als een echte Amerikaan denkt dat zijn bedankje in het Engels beter overkomt als hij harder praat.

Waar in de zestig in Roemenië nog gedanst werd op Jimmy Fuller’s ‘I fought the law’, gaat het in de jaren zeventig snel achteruit. Ceauşescu’s filmmakers zijn dan definitief overgestapt op kleurenfilm, met enkele beelden van een zorgeloos partijtje volleybal, een sport waarin Nicolae niet echt uitblonk. Maar juist in kleur wordt duidelijk hoe grauw Roemenië geworden was. Dit gevoel wordt alleen maar versterkt door de beelden van Ceauşescu’s bezoek aan Noord-Korea: de ontvangst die hem daar ten deel valt is van een overweldigende maar bittere schoonheid. We zijn nu eenmaal onwillig te erkennen dat er schoonheid in zo iets verschrikkelijks als massaal tentoongestelde onvrijheid kan schuilen.

Een omslagmoment is moeilijk aan te wijzen, maar met de bouw van zijn decadente Paleis van het Volk is duidelijk dat Ceauşescu de realiteit definitief verlaten heeft. Voor dit megalomane project, het grootste gebouw ter wereld na het Pentagon, gingen complete wijken in Boekarest tegen de vlakte.

Tegen het einde van de film ziet de kijker steeds meer beelden van jachtuitjes. Ujica anticipeert op een einde van de film dat nooit komt, maar waar iedere kijker van weet hoe het eruit gezien zou hebben. Terug in de karig ingerichte kamer waar het vonnis wordt uitgesproken ziet de kijker dat Ceauşescu zich alsnog verdedigt: de beschuldigingen zijn niets anders dan provocaties en mystificaties. Dat laatste is een mooie beschrijving van wat een dictator die zich iedere dag laat filmen achterlaat. Gek genoeg lijkt zijn functie dan louter ceremonieel.

The Autobiography of Nicolae Ceauşescu. Andrei Ujica. Roemenië 2010. 180 min.

.

Leave a Comment

Filed under Recensies

Tiger Eyes: Eerbetoon aan de onafhankelijke cinema

„US out of everywhere, Yankee go home”, de kreten zijn met graffiti op een gesloten winkelluik gespoten. Een taperecorder waaruit Screamin’ Jay Hawkins ‘I put a spell on you’ komt, zwaait in de hand van een meisje dat door een bijna verlaten New York loopt. De sfeervolle zwart-witbeelden komen uit Jim Jarmusch’ arthouse-klassieker Stranger Than Paradise. De scène is opgenomen in de documentaire Tiger Eyes, die momenteel op het International Film Festival Rotterdam draait. Hij laat in de eerste plaats zien wat de onafhankelijke cinema te bieden heeft, maar de graffiti vertelt de kijker meer: hier wordt gefilmd tegen het allesoverheersende Hollywood.

Jarmusch is een van de acht regisseurs die, op voorspraak van oud-directeuren van het IFFR, ter ere van het veertigjarig bestaan van het festival geïnterviewd werden door regisseur Frank Scheffer. De basis van Tiger Eyes wordt gevormd door fragmenten uit de interviews, aangevuld met enkele scènes uit films van de meewerkende regisseurs. De talking heads zijn door het gebruik van contrastrijk filmmateriaal en beperkte scherpte-diepte zeer intens.

Wat de filmmakers bindt, afgezien van hun verleden met het IFFR, is in eerste instantie een liefde voor de cinema als kunstvorm. Jarmusch vertelt zichzelf liever als amateur te beschouwen, omdat hij wil filmen uit liefde voor het vak: „Zodra je uitgaat van een of ander ingebeeld publiek gaat het mis”. Raul Ruiz, een Chileense regisseur met meer dan honderd films op zijn naam, gruwt van filmen in Angelsaksische landen, omdat daar alleen maar narratief gedacht wordt. Alle regisseurs filmen tegen de hoofdstroom in, Michael Haneke hekelt het cynisme van Hollywood: “Ik ben een pessimist genoemd, maar de werkelijke pessimisten zijn de makers van entertainmentfilms. Misschien ben ik een moralist. Als dat iemand is die zijn publiek net zo serieus neemt als zichzelf: ja.”

Een van de mooiste momenten uit Scheffers ruwe materiaal heeft deze korte tv-versie (die ook op het festival draait) niet gehaald: Jarmusch vertelt een anekdote die het belang van festivals als het IFFR illustreert. Toen hij begin jaren tachtig Stranger than paradise maakte en de financiering niet rond kreeg, schonk Wim Wenders hem het benodigde celluloid. Wenders op zijn beurt had dat materiaal over van een film waarvoor hij een volledige filmcrew van Raul Ruiz had geleend. Scheffers essayistische documentaire is een klein maar prachtig gefilmd eerbetoon aan de onafhankelijke film in het algemeen, en het IFFR in het bijzonder.

Tiger Eyes, Frank Scheffer 2011. (Di 23:00 Uur van de Wolf, Ned. 2. Do 17:15, IFFR, LantarenVenster)

.

Reacties staat uit voor Tiger Eyes: Eerbetoon aan de onafhankelijke cinema

Filed under Recensies