Monthly Archives: november 2010

Tuinieren

Ik realiseerde me net dat op dit moment twee Nederlandse hoveniers in toenemende mate bekendheid genieten: Gerbrand Bakker en Matsoe Matsoe…

.

Leave a Comment

Filed under Notities

Het essay als hype

Rob Riemen – De eeuwige terugkeer van het fascisme

door Jan Postma
20 november 2010

Cultuurfilosoof, essayist en oprichter-directeur van het prestigieuze Nexus Instituut Rob Riemen (1962) neemt in zijn essay De eeuwige terugkeer van het fascisme Geert Wilders en zijn Partij voor de Vrijheid op de korrel. Riemen prikkelt de lezer maar overtuigt allerminst.

Na de publicatie van zijn essay verscheen Riemen onder andere bij Nieuwsuur en werd hij geïnterviewd door NRC Handelsblad, waarbij opviel dat hij in beide gevallen weigerde fascisme te definiëren. Dit is vreemd aangezien hij in zijn essay wel een definitie lijkt te geven.

Wet van Godwin
De kritiek op Riemens optredens in de media en het boekje zelf was niet van de lucht: in vlug verschenen recensies en haastig getwitterde reacties – waarbij de grens van 140 tekens ineens een welkome beperking op de mogelijke lengte van een scheldkanonnade bleek – waren de meest gehoorde verwijten dat Riemen ten prooi was gevallen aan de wet van Godwin en dat zijn harde, confronterende en schijnbaar op effectbejag gerichte stijl wel erg veel aan die van Wilders deed denken.

 De wet van Godwin stelt dat naarmate een discussie op internet langer duurt, de kans dat iemand een vergelijking met Hitler en het nazisme maakt steeds groter wordt. Dit verwijt is een dooddoener van formaat, en wie een grappige observatie over de aard van internetdiscussies verwart met een argument heeft het niet helemaal begrepen. Uiteindelijk is de enige relevante vraag of Riemens argumenten voor het gebruik van de term fascisme om Wilders en zijn PVV te beschrijven steekhoudend zijn.

Beschavingscrisis
Wat is de strekking van Riemens betoog? Die vraag is redelijk simpel te beantwoorden. 1) Er heerst een taboe op het gebruik van het begrip fascisme, daar moeten we vanaf. 2) Er is sprake van een omvangrijke beschavingscrisis, die vreemd genoeg ongeveer zo oud is als onze moderne beschaving. Goethe, Nietzsche en Tocqueville zagen het al: in de vrije maatschappij schuilt immer het gevaar van haar corrumpering. 3) Inmiddels heeft het definitieve verval van geestelijke waarden plaatsgevonden (nihilisme) en bevinden wij ons in wat de Spaanse filosoof Ortega y Gasset de ‘massamaatschappij’ noemde. De massamens die in zo’n samenleving leeft is vatbaar voor de fascistische tendensen die tegen het op inclusiviteit gerichte Europese beschavingsideaal ingaan. 4) De politiek die Wilders bedrijft is een direct gevolg van deze ontwikkeling en valt zodoende uit te leggen als een moderne variant van het fascisme, dat Riemen omschrijft als ‘de politisering van de geestesgesteldheid van de rancuneuze massamens.’

Overeenkomsten
Riemen kaart een aantal zaken aan die zijn betoog zonder meer ondersteunen: de ondemocratische structuur van de PVV, de verheerlijking van haar leider, het xenofobe geratel over het gevaar van islamisering en de afkeer van iedere elite doen wel degelijk denken aan de anti-democratische retoriek van het begin van de vorige eeuw. Het sterkste moment volgt op de bovengenoemde omschrijving van het fascisme, wanneer Riemen vervolgt:

Het is een politiek van volksmenners die geen andere motieven meer kennen dan de handhaving en uitbreiding van hun eigen macht, die daartoe ressentiment exploiteren, zondebokken aanwijzen, haat verspreiden, een intellectuele leegte verbergen achter uitgeschreeuwde slogans en gescheld, en met hun populisme het opportunisme in de politiek tot kunst verheffen.

‘Objectief’
Maar is deze rake omschrijving van Wilders’ politiek voldoende voor een directe en in Riemens ogen ‘objectieve’ vergelijking met de beweging die zou leiden tot de dichtste benadering van het absolute kwaad in de geschiedenis van de westerse beschaving? Het staat hem natuurlijk vrij die vergelijking te maken, maar zijn betoog houdt geen stand.

Allereerst is zijn stelling dat hij de term fascistisch objectief gebruikt regelrechte quatsch. In een essay van slechts 62 pagina’s gericht tegen een populaire politicus met wie de schrijver het niet eens is valt de uitgesproken negatieve lading die de term fascisme met zich meedraagt simpelweg niet weg te nemen. Ook zijn poging het argument dat de vergelijking mank gaat vanwege het gebrek aan geweld dat Wilders vooralsnog met zich mee lijkt te brengen te ondergraven, door te suggereren dat dit onvermijdelijk later zal volgen, is een zwaktebod.

Gemakzuchtig
Deze twee voorbeelden zijn tekenend voor het gebrek aan diepgang dat overal in het essay voelbaar is. De denkers die Riemen gretig aanhaalt zijn stuk voor stuk grote geesten die de maatschappij om hen heen zeer goed doorzagen. Onder andere de schrijvers Thomas Mann en Albert Camus passeren veelvuldig de revue. Maar de uit hun context gehaalde en zonder notensysteem gepresenteerde citaten doen gratuit aan; ze leggen zo eigenlijk vooral de zwakte van Riemens eigen ideeën bloot. Het gemak waarmee hij denkt een omvangrijke beschavingscrisis te kunnen schetsen stemt treurig, zeker aangezien die crisis in Riemens ogen de enige verklaring voor het stemgedrag van een groot deel van de Nederlandse kiezers vormt.

 In het interview met NRC Handelsblad omschreef hij zichzelf als rasoptimist om vervolgens zonder enige ironie te stellen: ‘We zijn in een kitschmaatschappij terechtgekomen. Plat, materialistisch. […] Mensen zijn onzeker over hun identiteit. ‘Leuk’ is de maat van alle dingen. Het onderwijs en de media zijn afgegleden.’ Deze twee uitspraken zijn natuurlijk niet direct met elkaar in tegenspraak, maar dat hij werkelijk gelooft dat dit alles in een handomdraai recht te zetten is lijkt gezien de enorme geschiedenis die hij aan de ontwikkelingen toekent niet erg waarschijnlijk.

Ondanks Riemens afkeer van de in zijn ogen oppervlakkige tijdgeest lijkt hij hier zelf bij aan te sluiten. Dit essay is een hype en tegen de tijd dat deze recensie verschijnt alweer oud nieuws, o ironie.

Uitgever: Atlas
Prijs: 9,95
62 bladzijden
ISBN 9789045018560

Eerder verschenen op 8Weekly

.

Leave a Comment

Filed under Recensies

Grote Vragen in Grote Literatuur

Alain Finkielkraut – Een intelligent hart

door Jan Postma
12 november 2010

Radio de la communauté juive vroeg de Franse filosoof Alain Finkielkraut (1949) zijn ideale boekenkast samen te stellen. De gesprekken die hij voerde over de negen uitverkoren werken werden bewerkt tot de essaybundel Een intelligent hart.

Doorgaans leiden dit soort ondernemingen tot een gemoedelijk reisje door de wereldliteratuur, maar daar is in dit geval geen sprake van. Finkielkraut is in de eerste plaats een moralist. Hij duwt en trekt net zo lang totdat hij uit Grote Literatuur Grote Vragen tevoorschijn haalt. Hij is de lezer die iedere serieuze schrijver zich wenst en slaagt erin vast te laten voelen wat de aantrekkingskracht van literatuur is.

Nut en waarde
‘Hoe baan je je een weg door de moderne, snelle, digitale maatschappij?’ vraagt de omslag uitdagend. Antwoord: ‘Lees een Roman.’ Wat volgt is een opsomming waarin de doordachte essays van Finkielkraut gereduceerd worden tot eenduidige antwoorden op simpele morele dilemma’s waar de meeste lezers zelden mee geconfronteerd zullen worden. De uitgeverij gaat in haar ijver de potentiële koper te enthousiasmeren zo een stap te ver: ze omschrijft het boek als iets wat het niet is.

Dat de inhoud van dit boek niets te maken heeft met de tenenkrommende clichés op de achterkant wordt in de eerste alinea van het eerste essay al duidelijk. Finkielkraut opent met een citaat van Alain, de pseudoniem van de Franse filosoof Émile Chartier (1868-1951), die stelde dat wanneer we de waarde van een kunstwerk willen beoordelen, we ons juist niet moeten afvragen hoe het van nut kan zijn, maar van welk denkautomatisme het ons bevrijdt.

Lezen als denken
Dit citaat in het essay over Milan Kundera’s De Grap legt meteen de aard van de bundel bloot. Wanneer Finkielkraut leest gaat hij niet op in het verhaal. Je zou kunnen zeggen dat hij leest vanuit de werkelijkheid. Finkielkraut leest om de moraal uit de verhalen die een roman vertelt te persen. De verhaallijn wordt naar de achtergrond verbannen terwijl de morele vraagstukken waar de personages mee geconfronteerd worden alle ruimte krijgen.

Zo gaat Philip Roths De menselijke smet niet simpelweg over racisme, zoals de flaptekst van Een intelligent hart ons wil doen geloven. In Finkielkrauts lezing legt het boek in de eerste plaats de zelfgenoegzame schijnheiligheid van de Amerikaanse maatschappij bloot, die tot uitdrukking komt in zowel het linkse anti-racisme als het rechtse moral majority-denken. Daarnaast handelt het over de gedoemde pogingen van het individu zich te ontworstelen aan zijn persoonlijke geschiedenis en de maatschappelijke consequenties van die geschiedenis. Zo bezien gaat het boek dus over de vraag in hoeverre het individu vrij is te doen en laten wat hij of zij juist acht.

Fatsoen
De essays zijn stuk voor stuk diepzinnig en de grondigheid waarmee Finkielkraut te werk gaat dwingt respect af. Slechts een enkele keer lijkt hij de plank mis te slaan: in het essay over Albert Camus’ De eerste man, de onvoltooide autobiografische roman waarin Camus, na zijn verwoestende vete met zijn voormalige boezemvriend Jean-Paul Sartre, terugkeert naar zijn Algerijnse wortels.

Finkielkraut eindigt zijn doorwrochte interpretatie van De eerste man met een anekdote waarin Camus’ vader Lucien, in de Eerste Wereldoorlog gesneuveld op ‘het veld van eer,’ geconfronteerd wordt met de onmenselijkheid van de oorlog. Hij aanschouwt een luguber tafereel in de vorm van een gedode Franse soldaat: ‘zijn keel was doorgesneden en die bleke zwelling in zijn mond was zijn complete geslacht.’ Luciens kameraad, de onderwijzer die het verhaal later aan Camus zou vertellen, rationaliseert de gruweldaad. Lucien weigert daarin mee te gaan: ‘Een mens houdt zijn fatsoen.’

Mens in opstand
Finkielkraut legt Luciens standpunt nogal anachronistisch uit als een verzet tegen ‘progressieve of multiculturele denkbeelden […] hij hield vast aan het bestaan van een absolute ethische eis en universele criteria.’ Lucien stelt inderdaad een absolute eis, maar baseert deze geenszins op universele criteria. Zijn fatsoen is gevoeld en geen eeuwige waarheid. Lucien voelt de leegte die er achter zijn eis schuilgaat wel, maar weigert die leegte te omarmen. Hij komt in opstand tegen moreel relativisme dat eigenlijk gemaskeerd nihilisme is. Daarnaast heeft Finkielkraut zijn commentaar op Luciens mening eigenlijk niet nodig om zijn doel – Lucien schilderen als een mens in opstand – te bereiken. Deze ene misstap in zo’n verzameling prikkelende essays is Finkielkraut echter gemakkelijk te vergeven.

Uitgever: Contact
Prijs: 24,95
333 bladzijden
ISBN 9789025434656

Eerder verschenen op 8weekly

.

Leave a Comment

Filed under Recensies